Windpark installatie in diep water: De rol van floating wind

R
Redactie Jumboship
Redactie
Offshore Windpark Installatie & Logistiek · 2026-02-15 · 7 min leestijd

Stel je voor: je staat op een gigantisch schip, ver van de kust, en je kijkt uit over een ruwe zee.

In de verte zie je een enorme fundering voor een windturbine die net boven het water uitsteekt. Tot hier is het duidelijk, dit is de klassieke 'fixed-bottom' windpark installatie. Maar wat als het water opeens 80 meter diep is? Of 100 meter?

Dan verandert het spel volledig. Je kunt niet meer zomaar een pijler de zeebodem in slaan.

Hier komt de toekomst om de hoek kijken: floating wind. Het is de technologie die windenergie naar de diepe zee brengt, en het vereist een compleet nieuwe aanpak van zwaar maritiem transport en offshore logistiek.

Wat is floating wind eigenlijk?

Simpel gezegd, is floating wind het bouwen en installeren van windturbines die niet vast op de zeebodem staan, maar die drijven. Het is alsof je een olieplatform koppelt aan een windmolen.

De turbine staat op een enorm drijvend platform, dat op zijn beurt met zware ankers en kettingen (ankers) vastligt op de zeebodem. Dit is essentieel voor landen met een ondiepe kustlijn, maar vooral voor eilanden of landen met een diepe zee voor de kust, zoals Noorwegen of Japan. In Nederland kijken we ook naar deze technologie voor de diepere delen van de Noordzee, zoals de gebieden verder buiten de kustlijn.

De kern van het concept is de 'semi-submersible' of 'spar' fundering. Dit is een drijvend gevaarte van wel 10.000 tot 20.000 ton staal, specifiek ontworpen om de krachten van een windturbine van 15 MW te kunnen weerstaan.

In plaats van een fundering de zeebodem in te boren, wordt deze op een werf in elkaar gelast, inclusief ballastsystemen en ankerpunten. Vervolgens wordt dit platform naar het windpark gesleept en op zijn plek geankerd. De turbine wordt er dan op geïnstalleerd, vaak al gemonteerd op het platform voordat het wordt uitgevaren.

Waarom is dit de volgende grote stap?

De ondiepe Noordzee is al aardig vol met windparken. De echte windkracht zit echter verderop, waar het water meer dan 60 meter diep is.

Daar zijn de golven harder en de wind harder, maar de potentie is gigantisch. Schattingen suggereren dat floating wind een potentieel heeft van duizenden gigawatts aan energie, vele malen meer dan alle fixed-bottom parken bij elkaar. Dit is niet zomaar een optie; het is een must om onze klimaatdoelen te halen.

De logistieke uitdagingen bij drijvende windparken zijn hierdoor wel enorm. We hebben het over schepen die specifiek zijn ontworpen voor het vervoer en de installatie van deze drijvende constructies.

Denk aan 'Heavy Lift Vessels' (HLV's) zoals de 'Sea Installer' of 'Voltaire' van de DEMCGroep, die de turbines aan boord laden.

Of gespecialiseerde 'Flotel' schepen die als hotel en werkplatform dienen. De investeringen zijn torenhoog: zo'n drijvend platform kost al snel tussen de €25 en €40 miljoen, exclusief de turbine. De totale installatiekosten voor een heel floating windpark liggen op dit moment nog rond de €4-6 miljoen per MW, terwijl dit voor een traditioneel park €3-4 miljoen is. Die kosten moeten omlaag, en dat gaat gebeuren door schaalvergroting en slimmere logistiek.

De techniek achter de installatie: zo werkt het

De installatie van een floating windpark is een complex ballet van schepen en techniek, waarbij de logistieke verschillen tussen floating en fixed-bottom wind cruciaal zijn.

In tegenstelling tot een traditioneel park, waar je eerst de fundering plaatst en later de turbine, gebeurt hier vaak een 'integrated installation'. Het drijvende platform (de 'substructure') wordt gebouwd op een werf, vaak in een haven. Op diezelfde werf wordt de turbine, inclusief toren en rotor, al op het platform gemonteerd. Dit scheelt tijd op zee, waar elk dag kostbaar is.

Vervolgens wordt dit complete gevaarte, soms wel 2000 ton zwaar en 100 meter hoog, vanuit de haven naar het windpark gesleept. Dit gebeurt met behulp van meerdere sleepboten, die zeer nauwkeurig moeten samenwerken.

Een speciaal schip, een 'Construction Support Vessel' (CSV), kan hierbij assisteren. Eenmaal ter plaatse moet het platform worden geankerd. Dit is precisiewerk.

Ankerleggers zoals de 'Noble Installer' of 'Normand Aurora' laten zware ankers zakken en leggen de trossen (kettingen) met precisie op de zeebodem. De ankers kunnen wel 10.000 tot 20.000 kg wegen en de trossen zijn soms wel 1000 meter lang. De toleranties zijn minimaal; een foutje van een paar meter kan de stabiliteit van de hele turbine in gevaar brengen.

Zodra het platform is geankerd, worden de kabels aangesloten. De 'inter-array' kabels (die de turbines met elkaar verbinden) en de exportkabel (die de stroom naar land brengt) worden aangelegd.

Hierbij wordt vaak een 'Cable Laying Vessel' (CLV) ingezet. Bij sommige ontwerpen, zoals de 'Spar' buoy, moet het platform eerst nog worden rechtgetrokken en worden gevuld met water om het stabiel te maken. Het is een choreografie van zwaar materieel, waarbij elk schip een specifieke rol heeft. De keuze voor het juiste schip kan het verschil maken tussen een succesvolle installatie en een kostbare vertraging.

Verschillende modellen en hun impact op logistiek

Niet alle floating platforms zijn hetzelfde. De drie meest voorkomende types hebben elk hun eigen voor- en nadelen, wat direct invloed heeft op de verschillende transportbehoeften bij offshore wind.

  1. Semi-submersible: Dit is het meest voorkomende type, denk aan het ontwerp van het Hywind Tampen park in Noorwegen. Het bestaat uit drie of vier pontons die onder water hangen en een stabiele basis vormen. Het grote voordeel is dat het relatief ondiep is en kan worden gebouwd in bestaande havens met beperkte diepgang. De installatie is vaak 'wet-to-wet', wat wil zeggen dat de turbine op het water wordt gemonteerd. Dit is logistiek gezien iets makkelijker omdat je geen droogdok nodig hebt.
  2. Spar buoy: Dit is een extreem diepe, cilindrische structuur die rechtop in het water hangt. Het is zeer stabiel, maar het vereist een diepe haven voor de bouw en een complexe 'tow-out' procedure (het vervoeren naar het park). De turbine moet vaak 'over-de-side' worden gemonteerd, wat speciale schepen en technieken vereist.
  3. Tension Leg Platform (TLP): Dit is de duurste en meest complexe variant. Het platform wordt omhoog getrokken door verticale kabels onder spanning. Het is zeer stabiel, maar de installatie van de ankers is extreem complex en duur. Dit type is nog niet op grote schaal in gebruik.

De kosten van deze systemen variëren enorm. Een semi-sub platform voor een 15 MW turbine kan €30-€45 miljoen kosten.

De installatiekosten per turbine liggen rond de €1-€2 miljoen, afhankelijk van de diepte en de benodigde schepen. De markt voor schepen die deze klussen kunnen klaren is klein. Denk aan schepen als de 'Voltaire' (van DEMC) die een 'legging' kan uitvoeren tot 150 meter diepte, of de 'Noble Installer' die ankers kan leggen op 1000 meter diepte. De daghuur voor zo'n schip kan oplopen tot €200.000 per dag, dus efficiëntie is key.

Praktische tips voor de offshore professional

Als je in deze sector werkt, of je nu een planner, kapitein of ingenieur bent, er zijn een paar dingen om in je achterhoofd te houden bij floating wind projecten. De wereld van floating wind is de toekomst.

  • Timing is alles: Het weer is je grootste vijand. Zeker bij de 'tow-out' fase, waarbij het platform vanuit de haven naar het park wordt gesleept, is een kleine storm al een ramp. De planning moet ruimte bieden voor weerverlet. Reken op een 'weather window' van minimaal 5-7 dagen per installatiefase.
  • Logistieke keten: Zorg dat de havenfaciliteiten op orde zijn. Je hebt ruimte nodig voor opslag van trossen, ankers (die soms per stuk 20 ton wegen) en de turbines. De afstemming tussen de bouw van het platform en de aankomst van de turbine is cruciaal. Vertraging in de productie van het platform schuift de hele operatie door.
  • Veiligheid: De krachten op zee zijn enorm. Bij het 'hook-up' van de ankers staan er tienduizenden kilo's spanning op de lijnen. Zorg voor gecertificeerde materialen en ervaren crews. De kennis over het omgaan met drijvende constructies is schaars; investeer in training voor je crew.
  • Kostenbeheersing: Omdat de schepen zo duur zijn, is 'stand-by' tijd funest. Probeer installatieprocessen te combineren. Bijvoorbeeld: gebruik een schip dat zowel de ankers kan leggen als de kabels kan aanleggen. Of kies voor een 'integrated' ontwerp waarbij de turbine al op het platform staat voordat het de haven uitgaat. Elke dag die je uitspaart op zee, levert tienduizenden euros op.

Het opent de deur naar een onuitputtelijke bron van energie, maar het vereist een nieuwe manier van denken over schepen, logistiek en installatie. Het is de ultieme uitdaging voor de maritieme sector: zwaar transport en offshore engineering combineren op de diepste en ruigste wateren ter wereld.