Wat is de 'IMO 2020' zwavelkap en de huidige status?

R
Redactie Jumboship
Redactie
Voortstuwing, Brandstof & Emissies · 2026-02-15 · 6 min leestijd

Stel je voor: je hebt een gloednieuwe hydraulische kraan van 500 ton aan boord van je heavy-lift schip. Die moet van Rotterdam naar Singapore.

Je laadt 'm in, zet alles vast met chains en shackles van grade 100, en je bent klaar voor vertrek. Tot je hoort dat je motor vanaf 2020 opeens een stuk duurder moet branden. Dat is de IMO 2020-regel in een notendop.

Het is een wereldwijde zwavelcap die de scheepvaart op z'n kop zette.

Vooral voor ons in de zware transport- en offshorewereld, waar de motoren groot zijn en de brandstofrekeningen dat ook zijn. Dit is wat het betekent, hoe het nu zit, en wat het voor jouw operatie doet.

De IMO 2020 zwavelcap: wat is het precies?

De International Maritime Organization (IMO) heeft een harde limiet ingesteld voor de zwavelinhoud in scheepsbrandstof. Sinds 1 januari 2020 mag brandstof nog maar 0,50% zwavel bevatten.

Daarvoor was dat 3,50%. Simpel gezegd: de bunker die je tankt moet schoner zijn. De regel geldt wereldwijd, op alle oceanen, dus ook voor jouw project van Groningen naar Dubai.

Waarom? Zwavel zorgt voor zwaveldioxide (SO₂) bij verbranding.

Dat veroorzaakt zure regen en gezondheidsproblemen. De IMO wilde de uitstoot met ruim 80% terugdringen. Voor ons betekent het: een fundamentele shift in hoe we brandstof inkopen en motoren onderhouden. Je kunt niet zomaar de goedkoopste zware stookolie (HFO) meer gebruiken tenzij je je motor aanpast.

De regel is niet vrijblijvend. Scheepvaartinspecties controleren streng. Een overtreding kan een boete van tienduizenden euros opleveren, of erger: je schip wordt stilgelegd.

En dat is killing voor een tight schedule op een heavy-lift project. Dus ja, het raakt direct je planning en je portemonnee.

Waarom het voor heavy-lift en offshore essentieel is

Onze sector draait op grote vermogens. Denk aan een DP-2 kraanschip met een hoofdmotor van 4.000 kW of een jack-up met 8.000 kW aan generatorvermogen.

Die motoren draaien vaak 24/7, zowel onderweg als op locatie bij installatie van windturbines. Elke liter brandstof telt. Bij een verbruik van 20 tot 40 liter per uur per generator, tikt een prijsverschil van €0,10 per liter al hard aan.

Daarnaast heb je te maken met strenge emissie-eisen in offshore windparken. Operators zoals Ørsted of RWE eisen dat hun contractors ‘groen’ werken.

Met IMO 2020 zit je al op de eerste trede van schonere operaties. Het is een baseline voor je ESG-score. Geen brandstofcertificaat? Dan loop je contracten mis.

En vergeet de motoren zelf niet. Heavy-lift schepen gebruiken vaak Wärtsilä, MAN of Caterpillar motoren.

Die zijn gebouwd voor zware omstandigheden. De overstap naar lagere zwavelbrandstof vraagt om aandacht voor slijtage.

Vooral bij lage belasting, zoals DP-operaties, kan zwavelarme olie de motor minder smeren. Dat betekent extra olie-analyses en soms additieven.

Hoe het werkt en wat de opties zijn

Er zijn drie hoofdkeuzes om aan de 0,50%-limiet te voldoen. Allereerst: overstappen op Very Low Sulphur Fuel Oil (VLSFO).

Dit is de nieuwe standaard bunker met maximaal 0,5% zwavel. De dichtheid ligt rond 0,92-0,94 kg/liter en de viscositeit is vaak 15-40 cSt.

Prijsindicatie: in 2024 rond €650-€750 per ton, afhankelijk van haven en markt. Wie kijkt naar de toekomstige kosten voor groene methanol, ziet dat deze brandstof een belangrijke rol gaat spelen. Tweede optie: Marine Gas Oil (MGO).

Dit is een distillaat, dus schoner en vloeibaar bij kamertemperatuur. Ideaal voor havenoperaties of als je brandstofsysteem niet geschikt is voor VLSFO.

MGO bevat minder dan 0,1% zwavel. Nadeel: duurder. Reken op €850-€950 per ton. Gebruik het slim: alleen voor korte trips of als back-up. Derde optie: een scrubber (exhaust gas cleaning system).

Die filtert de zwavel uit de rookgassen, zodat je toch zwaardere HFO (3,5% zwavel) mag gebruiken.

Voor heavy-lift schepen met grote motoren is een scrubber een investering van €3-€8 miljoen, afhankelijk van het merk en de grootte (bijv. Alfa Laval of Wärtsilä). De terugverdientijd zit vaak tussen de 3-7 jaar, afhankelijk van het brandstofverschil (VLSFO vs HFO).

Wel moet je de scrubber regelmatig laten keuren en schoonmaken, en mag je niet in alle havens met open loop scrubbers varen vanwege waterkwaliteit. Er is ook LNG als optie, maar dat is voor bestaande heavy-lift schepen vaak niet praktisch.

Het vereist cryostische tanks en grote aanpassingen. Nieuwbouwprojecten zoals de ‘Sparrow’ van Sea-Cargo of hybride oplossingen met batterijen (bijv. Corvus Energy) komen op, maar zijn nog niche voor zwaar transport.

De huidige status en marktontwikkelingen

De markt is nu (eind 2024) stabiel. VLSFO is de dominante keuze. De prijsverschillen tussen VLSFO en HFO zijn smaller dan in 2020, toen het gat opliep tot wel $250-300 per ton.

Nu zit het verschil vaak rond $100-150 per ton. Dat maakt de business case voor een scrubber minder urgent, tenzij je op zeer grote schaal vaart.

Controles zijn strenger geworden. Port State Control (PSC) in Europa en Azië controleert bunkerleveranciers en monstername.

In Rotterdam en Antwerpen zie je nu gecertificeerde VLSFO-leveranciers met een ‘bunker certificate’. Soms bevat VLSFO te veel aromaten, wat leidt tot problemen met pakkingen en slangen. De ISO 8217 specificatie is aangescherpt.

Vraag dus altijd een testrapport op. Emissiegebieden (ECAs) zijn ondertussen uitgebreid.

In de Noordzee, Oostzee en Amerikaanse kustwateren geldt al jaren 0,10% zwavel. Daarbovenop komt nu de ‘Carbon Intensity Indicator’ (CII) en de EU ETS voor scheepvaart. Dat betekent dat je naast zwavel ook op CO₂ moet sturen. IMO 2020 is de eerste stap, maar de reis is nog lang.

Verwacht dat in 2025-2030 de eisen nog verder aanscherpen, met mogelijk een limiet van 0,10% wereldwijd. Wat betreft offshore: operators eisen steeds vaker ‘Tier III’ motoren (stikstofoxide-reductie) en lage zwavelbrandstof, terwijl we gezamenlijk koersen op een emissievrije toekomst.

Een schip dat alleen VLSFO kan draaien, is nu het minimum. Sommige projecten vragen om HVO (hydrotreated vegetable oil) of biodiesel blends, of kijken naar hoe een hybride voortstuwingssysteem op een offshore schip werkt.

Dat is duurder, €1.200-€1.500 per ton, maar levert een CO₂-reductie van 70-90% op.

Praktische tips voor je operatie

Voor je volgende laadoperatie: check je motorhandboek. Vraag aan je motorenleverancier of VLSFO is goedgekeurd.

Test een monster van de bunker. Laat viscositeit, densiteit, zwavelgehalte en watergehalte controleren.

Doe dat vóór je de tank vult. Voorkom een miskoop van 500 ton VLSFO die te dik is en je motor verstopt. Plan je bunkers slim.

In Azië (Singapore, Rotterdam) is VLSFO goed verkrijgbaar en relatief goedkoop. In offshore hubs zoals Vlissingen of Stavanger is het vaak duurder. Houd €50-€100 per ton verschil per haven in de gaten. Overweeg een ‘bunker call’ in een main port en bunkers voor je offshore-project met een bunkerboot.

Investeer in monitoring. Een fuel-flow meter en een e-monitoring systeem (bijv.

NAPA Fleet Intelligence) helpt je verbruik te voorspellen. Zo voorkom je dat je in een storm met 20% extra brandstof zit.

En voor DP-operaties: zorg dat je generatorvermogen optimaal wordt benut, met load balancing. Dat scheelt 5-10% brandstof per klus. Sluit een brandstofcontract met een vaste prijs of een ‘bunker adjustment factor’ (BAF).

Bij een project van 6 maanden kan een prijsstijging van €100 per ton je marge opeten.

Bespreek met je leverancier of je ‘scrubber-ready’ bent, mocht je later willen upgraden. En tot slot: houd rekening met extra kosten voor olie-analyses en additieven, reken op €0,01-€0,02 per liter extra. IMO 2020 is geen ver-van-mijn-bed-show meer.

Het bepaalt je brandstofkeuze, je motoronderhoud en je projectmarges. Door scherp te zitten op specificaties, prijzen en monitoring, hou je de kosten onder controle en je schip draaiende. En dat is wat telt in de heavy-lift en offshore wereld.