Jones Act compliant schepen vs. internationale vloot in de VS

R
Redactie Jumboship
Redactie
Offshore Windpark Installatie & Logistiek · 2026-02-15 · 5 min leestijd
Transparantie: Dit artikel bevat affiliate links. Als je via onze link een product koopt, ontvangen wij een kleine commissie. Dit kost jou niets extra en helpt ons om deze site te onderhouden.

Je staat op het punt om een nieuw windpark te bouwen voor de kust van New York of New Jersey.

De turbines staan klaar in Europese havens, maar de Amerikaanse kustwacht houdt je tegen. Je hebt schepen nodig die voldoen aan de Jones Act. Dat is de wet die zegt: transport tussen twee Amerikaanse havens moet gebeuren met Amerikaanse schepen, gebouwd in Amerika, met een Amerikaanse bemanning. Dit creëert een keuze: huur je een speciaal Jones Act-compliant schip, of probeer je met een internationaal schip te werken?

Het is een dilemma waar elke offshore windprojectmanager mee worstelt. Laten we het helder en eerlijk bekijken.

Wat is een Jones Act-compliant schip?

Een Jones Act-schip is een zwaargewicht dat aan strenge regels voldoet. Het schip moet in de VS gebouwd zijn, volledig in Amerikaans eigendom zijn, en de bemanning moet voor minstens 75% uit Amerikanen bestaan.

Denk aan schepen zoals de Sea Installer of de Voltaire (hoewel die laatste een internationaal schip is, zijn er Amerikaanse varianten in opkomst). Deze schepen zijn specifiek ontworpen voor heavy-lift taken in de offshore wind, zoals het installeren van monopiles of funderingen.

De voordelen zijn duidelijk: ze mogen direct tussen Amerikaanse havens varen zonder gedoe. Je vermijdt douanevertragingen en juridische risico's. Maar ze zijn schaars. Er zijn maar een handvol van deze schepen beschikbaar in de VS, en de bouw ervan duurt jaren.

Prijzen liggen hoog: huur kan oplopen tot €150.000-€250.000 per dag, afhankelijk van de capaciteit en de duur van het project.

Capaciteit is solide – een typisch Jones Act-schip kan tot 1.500 ton hijsen, genoeg voor de nieuwste 15 MW turbines.

De internationale vloot: flexibel maar beperkt

Internationale schepen, zoals de Jan De Nul of Seaway Strashnov, zijn gebouwd in Europa en vaak in internationaal eigendom. Ze zijn wereldwijd inzetbaar en hebben bewezen capaciteit voor grote projecten.

Voor de Amerikaanse markt zijn ze ideaal voor import van componenten uit Europa, maar ze mogen niet zomaar tussen Amerikaanse havens varen. Je moet ze "opsplitsen" – een internationaal schip laadt in Europa, vaart naar een Amerikaanse haven, en dan moet een ander transport het overnemen. Dat betekent extra kosten en logistiek.

Prijzen zijn lager: €80.000-€150.000 per dag, omdat ze wereldwijd beschikbaar zijn en meer concurrentie hebben.

Capaciteit is vaak hoger – sommige kunnen tot 3.000 ton hijsen, perfect voor grote funderingen. Maar het gebruiksgemak is minder: je hebt te maken met internationale regels, douane, en soms extra vergunningen. Op termijn kunnen de kosten oplopen door vertragingen en extra handling in havens. Denk aan de logistiek van het overslaan van lading van een internationaal schip naar een Amerikaans binnenvaartschip – dat kan €50.000-€100.000 extra kosten per overdracht.

Vergelijking op concrete criteria

Laten we eerlijk vergelijken op vijf criteria die er echt toe doen: prijs, capaciteit, gebruiksgemak, kosten op termijn, en beschikbaarheid. Ik baseer dit op actuele marktgegevens voor complex transport van windturbinebladen bij offshore windprojecten aan de Amerikaanse oostkust.

  • Prijs per dag: Jones Act-schepen zijn duurder – €150.000-€250.000 – vanwege schaarste en hoge operationele kosten in de VS. Internationale schepen zitten op €80.000-€150.000, omdat ze efficiënter draaien op wereldwijde markten. Voor een project van 6 maanden scheelt dat al snel €10-€20 miljoen.
  • Capaciteit: Beide kunnen zwaar tillen, maar internationaal wint vaak. De Seaway Strashnov haalt 3.000 ton, terwijl een typisch Jones Act-schip zoals de Charybdis (voor Vestas) rond 1.500 ton zit. Voor grotere turbines is dat verschil merkbaar.
  • Gebruiksgemak: Jones Act is makkelijker voor binnenlandse transporten – geen douane, geen vertragingen. Internationaal vereist planning voor splitsing: laad in Europa, overslaan in de VS, en dan verder. Dat voelt als een extra hoofdpijn.
  • Kosten op termijn: Jones Act lijkt duurder, maar op lange termijn bespaar je op logistieke rompslomp. Internationaal kan goedkoper beginnen, maar vertragingen bij douane of overslag kunnen de totale kosten met 20-30% verhogen. Reken op €5-€10 miljoen extra per jaar voor een gemiddeld project.
  • Beschikbaarheid: Jones Act-schepen zijn zeldzaam – er zijn er maar een stuk of tien wereldwijd voor windinstallatie. Wachttijden kunnen oplopen tot 12-18 maanden. Internationale schepen zijn ruimer beschikbaar, met wachttijden van 3-6 maanden, maar je moet rekening houden met wereldwijde concurrentie.

Een zesde criterium is risico: Jones Act minimaliseert juridische problemen, terwijl internationaal risico loopt op boetes of stopzettingen als je de regels negeert. Een zevende is duurzaamheid – Jones Act-schepen zijn vaak nieuwer en voldoen aan strengere Amerikaanse emissienormen, wat helpt bij vergunningen.

Keuzehulp: welk schip kies je?

Als je project alleen binnen Amerikaanse havens blijft – bijvoorbeeld een windpark voor de kust van Massachusetts – kies dan voor geschikte Jones Act compliant schepen. Het is veiliger, sneller geregeld, en je vermijdt juridische risico's.

Denk aan de Charybdis van Vestas: perfect voor monopile-installatie zonder gedoe. Hoewel de investering in een nieuw Wind Turbine Installation Vessel aanzienlijk is, is de hogere prijs het waard als tijd kostbaar is. Kies voor de internationale vloot als je componenten importeert uit Europa en het budget krap is.

Voor een project zoals Empire Wind of Beacon Wind, waar grote ladingen uit Nederland komen, is een schip als de Voltaire (hoewel internationaal) een slimme zet.

Je bespaart op huur, maar huur een lokaal logistiek team om de overslag te regelen. Dit werkt goed voor de initiële fasen, maar niet voor langdurig binnenlands transport. Een middenweg? Overweeg een hybride aanpak: gebruik een internationaal schip voor de import en een Jones Act-compliant binnenvaartschip voor het laatste stuk.

Of kijk naar nieuwe initiatieven zoals de WindServe-schepen, die langzaam aan de Jones Act-eisen voldoen en beschikbaar komen vanaf 2025. Dit vermindert kosten zonder volledig af te wijken van de regels.

Praat met een havenagent in New York of New Jersey om de logistiek op maat te plannen.

Uiteindelijk hangt het af van je tijdlijn, budget en projectomvang. Voor snelle, lokale projecten: Jones Act. Voor importgerichte, budgetbewuste plannen: internationaal. En mix het altijd slim voor de beste resultaten.